Casus Democritus v Rutherford

Casus Democritus v Rutherford


"Het is gewoon niet realistisch"
Ik kon haar gezicht niet helemaal goed aflezen. Ik denk dat ze een masker droeg. Maar wat het masker nou zei wist ik ook niet. Geforceerde kalmte misschien, maar wellicht ook een lichte hint van verslagenheid.



Liefde is als een drug, maar dan extremer, en sociaal geaccepteerd. Stel, je neemt heroïne in de privacy van je eigen huis. Helemaal prima, en je kan stoppen wanneer je zelf wilt. Natuurlijk wil je dat niet, maar dat is het punt nu even niet. Het punt is dat jij de controle hebt. Maar met liefde zit het anders. Met liefde kan de naald heroïne ineens uit zichzelf ermee kappen, je lepel met vloeistof verdampen. Hoe is het eerlijk dat een ander persoon zo veel macht heeft over zo iets innerlijks? Het lijkt maar al te makkelijk voor de ander om weg te rennen.



Ik teleporteerde even naar huis, en daar zat ik dan. Ik luisterde naar muffe muziek en at eten zonder smaak. Ik trilde, misschien was het de kou, misschien afkickverschijnselen. Zo zat ik daar, zielig te zijn, tot er een groot licht voor me de wereld in kwam, en toen het wat dimde werd het silhouet van een episch geklede vrouw steeds helderder. Machtige gouden versiersels en lange, elegante stroken fijne stof. Natuurlijk had ze lang, blond, goed onderhouden haar dat ze los droeg, maar wat toch geordend zat.
"Gegroet. Ik ben Apetha uit Krateuris, zus van Amaxis, dochter van Dremachas. -"
Raar, een goddelijke inbreekster. Moest ik nou zeggen dat ze verdomme mijn huis uit moest, en rap? Of juist even vriendelijk doen? Haar woorden doorboorde mijn blijkbaar te lang durende gedachtegang.
"- Je hebt gewenst de dag overnieuw te doen, dat kan niet. Maar ik kan je wel perspectief bieden."
Ik wou geen perspectief.
"Toch neem ik je mee, sterveling!"



De dag was niet gebeurd, en we liepen naast elkaar over een kerstmarkt. Het was weer zoals vroeger. Een golf van opluchting overkwam me, en ik kon het niet laten haar een zoentje te geven.
De wereld stond ineens op pauze, en de godin liep van achter een kraampje in beeld. Ze gebaarde omhoog, en we vlogen naar een verlaten en versleten industriegebouw en namen de hoofdingang. Binnen begroette een poster ons.

DAGEN ZONDER INCIDENT:
3 0 6
5 3

Wees slim, licht je leidinggevende in!

We maakten ons pad door het verlaten en geblakerde pand, verlicht door enkel het gele schemerlicht van de langzaam inslapende zon, dat door de gebroken ruiten naar binnen dwaalde. We gingen naar boven, rechtdoor, links, rechtdoor, rechtdoor, rechts, rechtdoor. Het gangpad hield op, omdat er een muur was ingestort. We gingen naar links en kwamen een kantine binnen, waar zij een ongesmolten klapstoeltje uitzocht, terwijl ik de boel wat in orde probeerde te maken. Ze beval dat ik ook ging zitten. Ik had uitzicht op een oude magnetron met vreemde, nog oudere vlekken aan de binnenkant.
"Zo, dat had je even nodig. Dan gaan we nu extrapoleren."



Mijn broek was nat. Broekplas? Mijn sokken en schoenen ook. Even nat als het onderste gedeelte van mijn shirt en vest. Ik zat vast in een flinke laag water, omgeven door een donkere, omhoogstaande cilinder van baksteen.
"Hè, godverdomme" mompelde ik. "Wat is dit?"
Ik keek omhoog en zag daar een cirkeltje lucht. Een wolk was zojuist bezig met zijn trage reis naar de andere kant van mijn cirkel. Ik keek omlaag naar het water, waar soepletters in het rond dreven. Ze spelden "eenzaamheid". Toen kwam er een houten emmertje naar beneden, waar ik in klimde, zo goed als het ging. Zo ging het traag naar boven, en de cirkel werd steeds groter. Even later en mijn hoofd stak boven de grond uit, en ik zag daar de godin weer staan, haar ene hand op de hendel, haar andere hand op haar zij. Ze toverde me droog en gaf me een telefoon die eerder nog niet in haar hand lag. Het was mijn telefoon. Het gesprek erop viel samen te vatten als "Wil je?" - "Geen tijd."
De godin keek me aan met een zekere ik-zei-het-toch gezichtsuitdrukking.
"Heel flauw. Rot op! Doe het weer terug zoals het was, het kan dus wel!"
"Nee, dat kan niet."
"Waarom niet?"
"Omdat ik het zeg, lol."
Haar gezichtsuitdrukking vroeg aan me hoe ik het in mijn hoofd haalde. Ze rotte daarna getrouw op, maar ik ook.



Een metrostation, in Ouï-Dire stijl. Parijs? Beetje viezig, maar zeker niet vervallen. Een plafond gemaakt van een brede boog, alles meticuleus betegeld met glanzend wit en groen. Boven het spoor zitten TL-buizen in het plafond, maar dan met een zacht geel licht, of zoiets. Er lag een krant op de grond, maar ik kon niet meer lezen. Er stond onzin. De ruimte was verder volledig leeg, op één persoon na. Aan de zijkant van de glimmende muur gemaakt van duizenden rechthoekige tegels zat een oude man met een rommelige baard en een versleten rode pet op. Hij werd door plastic tassen en oude doeken omringd als een God door de vier elementen. In zijn linkerhand had hij een flesje bier, in zijn rechter een peuk. Het zal wel voorbestemd zijn, dacht ik. Verkennend liep ik wat in zijn richting, mijn innerlijke excuus zijnde dat er een snoepautomaat naast zijn bankje stond. De ruige stoeptegels beklad met jaren aan kauwgom en schoenvuil gleden soepel onder me door, en even later keek ik door een gekrast raam heen met een drie-sterren uitzicht op een rijke collectie aan merkloze mueslirepen, verslagen koeken en te kleine zakjes snoep.
"Hey jongen."
Ik was heel druk bezig met het bekijken van de 51g Mars® reep, met een plaatje erbij gemaakt uit karamel en een koekje en -
"Je ziet er moe uit."

Ik gaf me over, en ademde uit. Eerst een beetje, daarna steeds meer. Er bleef maar lucht uit komen. Het voelde goed om al de opgehoopte gifgassen mijn lijf uit te blazen. Ik ademde weer in, rook de peuk, proefde het bier, en met een ietwat trillende stem sprak ik.
"Ja. Ik denk het."
"Mag een oude man je wat advies geven?"
Ik tilde mijn armen op en draaide mijn handen een beetje uit elkaar, liet ze daarna weer zakken.
"Als ik jou was zou ik die Mars niet nemen. Alles zit te dicht op elkaar, en uiteindelijk meng je data met instructies. Door de karamel proef je het koekje niet, en door het koekje proef je de chocolade niet, en door de chocolade proef je de karamel niet. Ook proef je door de chocolade het koekje niet, en door het koekje de karamel niet, en door de karamel de chocolade niet. Je lui is het misschien niet gewend om dat te doen, dus zul je moeten oefenen. Oefenen, oefenen, en nog eens oefenen. Maar geloof me jongen: soms is het gewoon beter om de dingen gescheiden te houden."
Ik vroeg hem of hij wist dat je smaken kon combineren om iets nieuws te creëren.
"Heb je het wel eens zo koud gehad dat je in je gulzigheid je handen brandde aan het vuur in de haard?"
Hij gaf me een knipoog, keek daarna weer voor zich uit en nam een slokje van zijn bier.
Uit mijn zak viel een munt, zo de automaat in, en hij rinkelde door tot diep binnenin het hart van de koude machine. Knopjes werden ingedrukt, en een zakje met daarin een gevulde koek, een defect exemplaar zonder amandel, kukelde naar beneden.



Ik was weer terug. Dit keer in het donker opgesloten, met de godin die met een vaag glimlachje naar me keek. Een beetje onderzoekend, als een soort kinderarts die vraagt of het prikje niet teveel zeer deed.
"En, hoe was dat?"
"Kut. Ik werd lastiggevallen door een verwarde wiskundige."
Haar lach verslapte wat. Even bedenkelijk, dan begripvol.
"Kan ik ook zelf scenario's uitzoeken?"
Ze dacht even na.
"Eigenlijk niet. Maar jij bent wel een onderzoekend typje, of niet? Dus vooruit. Zoek onder."
Ineens had ik toegang. Waartoe precies en hoe het ineens met mij verbonden was kan ik niet goed uitleggen, maar het selecteren van scenario's voelde net als je arm bewegen. Je denkt er niet over na, je kunt het gewoon. Je doet het gewoon.
"Zal ik je anders alleen laten?"
Ik knikte. Zij knikte ook.



Alleen, wat is het? Er zit een fijne lijn tussen alleen zijn en eenzaamheid. De een is een keuze, de ander een omstandigheid. Zou de eenzaamheid me daarom zo raken? Het feit dat ik er geen controle over heb? En mensen die er minder last van zouden hebben, zijn dat makke lammetjes die totaal geen controle willen of nodig hebben? Het doet er niet toe.
Ik zocht door de scenario's, als een soort scrollmenu, maar dan op gevoel. Helemaal onderaan stond een scenario dat ik nog niet had gezien. De ultieme pil.



Een donkergrijs berglandschap, van bovenaf ingesloten door nog donkerdergrijze wolken. Er was een ruige afgrond en de gemene rotswanden lieten hun stekels zien als een valse hond die zijn tanden ontbloot. Er klonk een onrustig gegrom vanuit de diepte, door de gierende wind die in duizend paden uiteen brak. Voor hem stond een enkele wonderboom. De storm speelde onrustig en doelloos met de haveloze bladeren, en deed ze dansen in de regen. Ze hadden de kleur van opgedroogd bloed, en aan hun takken zaten verminkte bruine stekelballen, als verroeste en opengebarsten zeemijnen die boven water waren gehaald. Ik zette een stap naar de plant, en de wind gaf me een klap tegen mijn gezicht. Er was een lichtflits, en even later hoorde ik een vulkaanuitbarsting. Met suizende oren zette ik nog een stap, en nog een, en nog een. De bladeren leken me te grazen willen nemen, zo agressief bewogen ze naar me. Ik stak mijn hand uit, en plukte een van de zeemijnen. Ik liet hem op de grond vallen, drukte hem voorzichtig kapot met mijn schoen, en een klein boontje dat eruit zag als een houtteek onthulde zich. Ik pakte het op en bekeek het van dichtbij. Het was een beige noot met rommelige, donkerbruine lijnen. Mijn hand bracht het nootje naar mijn mond en mijn kiezen kauwden erop. Ik plukte er nog een paar, en herhaalde het proces.
Ik heb zojuist genocide gepleegd. Ik ben nog kort bewust voordat mijn laatste cellen stil zullen sterven in de achtergrond. Ik voel me Hitler, ik voel me Stalin. Ik voel me Gandhi. Ik voel me bang. Maar nog het meest voel ik me gefaald. Want nog steeds voel ik liefde.



Haar stem klonk in mijn hoofd.
"Hoe hard je ook rent, je problemen zullen je altijd inhalen. De enige manier om niet te lijden in dit spel, is door niet te spelen. Kom, pauzeer het leed en kijk uit je raam! Gooi je computer naar het uitzicht! Ontvouw je vleugels, mijn engel, en vlieg!"



Alles was nu wit.
"Ben ik in de hemel?"
Ik weet niet aan wie ik het vroeg, en ik verwachtte eigenlijk ook geen antwoord.
"Nee, klootzak."
Het wit werd geel, en het geel werd rood. Een diep geruis was overal te horen, en de vloer was gemaakt van vlam.
"En je weet dondersgoed wat je nu te doen staat. Voordat je het gebouw kan repareren moet je het eerst blussen."

Reacties


Niet aan deze 3 velden zitten. Je hoort ze eigenlijk niet te zien. Stuur aub een mail naar info at michaelroeleveld punt nl.

Zoeken

Opgehaald in 0.03148s